Experten aan het woord: "Een publieke ruimte is eigenlijk nooit af" (1/3)
Een plein, park of dorpskern ontwerpen lijkt op het eerste gezicht een oefening in ruimtelijke inrichting. In werkelijkheid gaat het over veel meer dan bomen, banken en bestrating alleen. Een kwalitatieve publieke ruimte moet ontmoeting stimuleren, inspelen op maatschappelijke evoluties, klimaatrobuust zijn én voldoende flexibiliteit bieden om ook binnen twintig of vijftig jaar nog relevant te blijven. Maar hoe creëer je zo'n plek zonder toekomstige ontwikkelingen te hypothekeren? En hoe verzoen je technische, ecologische en sociale ambities met een aantrekkelijk ontwerp? Tijdens een panelgesprek van United Experts Group gingen Sophie Loots (Parallel Architecten), Wim Carrein (URBASTA!), Frank Caers (United Experts Group), Els Van Lier (Landmax) en Tom Dhollander (Infopunt Publieke Ruimte) op zoek naar antwoorden.
Wanneer is een publieke ruimte geslaagd? En wanneer schiet ze haar doel net voorbij? Met deze eerste open vraag weten we ons vijfkoppige panel al meteen flink te triggeren. Er moet vooral iets ‘gebeuren’, klinkt het. Voor Frank Caers, senior landschapsarchitect bij United Experts Group, is dat zelfs hét doorslaggevende criterium. "Ik noem dat altijd de 'bla bla bla'-functie", glimlacht hij. "Mensen moeten er kunnen samenkomen, keuvelen, spelen of gewoon verpozen. Een publieke ruimte moet uiteraard plaats kunnen bieden aan georganiseerde activiteiten, maar minstens even belangrijk is dat ze zich ook leent tot spontaan en multifunctioneel gebruik. Een mooi voorbeeld is een park in Beringen dat ik enkele jaren geleden ontwierp, inclusief trapconstructie die uitzicht biedt op de oude kolenhaven. Toen ik er een tijd geleden opnieuw passeerde, zag ik er een Turkse familie trouwfoto's nemen. Dat had ik destijds nooit kunnen voorspellen, dus dat charmeerde me enorm. Op zo'n moment besef je dat die plek echt deel is geworden van het dagelijkse leven."
Onderdeel van een ruimere context
Ook Tom Dhollander, gedelegeerd bestuurder bij Infopunt Publieke Ruimte, ziet gebruik als de ultieme graadmeter, al plaatst hij meteen een belangrijke kanttekening. "Een parkeerplaats wordt ook gebruikt, dus ik zou er nog een positieve dimensie aan willen toevoegen. Mensen moeten er op een of andere manier gelukkig van worden.”
Dat geluk hangt volgens het panel samen met de context. Een publieke ruimte staat nooit op zichzelf, maar maakt deel uit van een groter geheel. "Iedereen is er een beetje eigenaar van en moet er zich thuis voelen”, zegt Sophie Loots, architect-bestuurder bij Parallel Architecten. “Daarom moet je als ontwerper eerst nagaan waarvoor die ruimte dient. Een horecaplein vraagt een totaal andere aanpak dan een buurtpark of een binnengebied in een woonontwikkeling. Rekening houden met de context – de genius loci, de nabije en wijde omgeving … – is met andere woorden essentieel. Een publieke ruimte moet een bepaald gebruik initiëren en faciliteren, al kan je vooraf nooit helemaal definiëren wat dat dan zou moeten zijn. Bovendien moet je als ontwerper niet enkel de blik op vandaag richten, maar je ook afvragen wat ze binnen pakweg tien jaar zou kunnen betekenen.”
maar je ook afvragen wat ze binnen pakweg tien jaar zou kunnen betekenen.”
Els Van Lier, bestuurder en projectleider bij Landmax, sluit zich daarbij aan. "Welke functie een publieke ruimte kan vervullen, hangt sterk af van wat er errond gebeurt en hoe mensen zich daar bewegen." Volgens Wim Carrein, oprichter-bestuurder bij URBASTA!, bestaat er dan ook geen universeel succesrecept voor kwaliteit. "Iedereen beleeft een publieke ruimte op zijn of haar eigen manier. Toch zijn er parameters die bijna altijd belangrijk zijn, zoals leesbaarheid, veiligheid en toegankelijkheid. Zeker als je een breed publiek wil aantrekken. Daarnaast moet een ontwerp inderdaad vooral bepaalde zaken faciliteren en mogelijk maken, maar zonder gebruikers in een keurslijf te dwingen. Dat maakt dat een publieke ruimte mee kan evolueren met de veranderende maatschappij. Eigenlijk is ze nooit af."
"Een ontwerp moet bepaalde zaken faciliteren en mogelijk maken, zonder gebruikers in een keurslijf te dwingen. Dat maakt dat een publieke ruimte mee kan evolueren met de veranderende maatschappij."
Wim Carrein
Ontwerpen voor vandaag én morgen
‘Vooruitdenken’ is een van de rode draden in het gesprek. Vrijwel alle panelleden zijn het erover eens dat publieke ruimte vandaag ontworpen moet worden voor maatschappelijke uitdagingen die zich morgen mogelijk pas volledig zullen manifesteren. "Er komen altijd maar functies en aandachtspunten bij. Vijftien jaar geleden hield bijna niemand rekening met hitte-eilanden, terwijl klimaatrobuustheid vandaag een van de belangrijkste uitgangspunten is bij de inrichting van publieke ruimtes. En terecht, want bij de zomerse hittegolven die we recent hebben meegemaakt is verkoeling voor sommige mensen zelfs bijna levensnoodzakelijk ", onderstreept Frank Caers.
Volgens Sophie Loots betekent dat echter niet dat elk toekomstscenario vandaag al gerealiseerd moet worden. Wel moet een ontwerp toekomstige evoluties mogelijk maken. “Denk aan overwelfde waterlopen, die vandaag nog niet overal opnieuw kunnen worden opengelegd. Het is belangrijk dat een ontwerp daar alvast op anticipeert, zodat het binnen tien jaar eventueel wél kan. Soms hebben we de neiging om een te afgewerkt geheel te creëren.” Tom Dhollander noemt dat een fundamentele uitdaging. "Het is zaak om doordachte keuzes te maken met het oog op de toekomst, zeker als het om robuuste infrastructuur gaat die op lange termijn ook nog overeind moet kunnen blijven. Een zitbank kun je desnoods verplaatsen, maar een boom van een bepaalde leeftijd zet je niet zomaar even ergens anders. Dat moet je incalculeren wanneer je een publieke ruimte ontwerpt.”
"Het is belangrijk dat een ontwerp alvast anticipeert op mogelijke toekomstige evoluties. Soms hebben we de neiging om een te afgewerkt geheel te creëren.”
Sophie Loots
“Een boom plant je inderdaad niet voor twintig, maar voor vijftig of liefst zelfs honderd jaar”, benadrukt Els Van Lier. “Wat uiteraard niet wil zeggen dat een publieke ruimte er over een eeuw nog steeds hetzelfde moet uitzien. Maar zowel boven- als ondergronds neemt een boom ruimte in die je niet zomaar even kan recupereren. Daar is in het verleden vaak te weinig bij stilgestaan. Dit alles geldt overigens ook voor kleinere natuurelementen die de biodiversiteit bevorderen. Rond een haagstructuur of bloemenpartij ontstaat mettertijd een heel ecosysteem die zo’n publieke ruimte nog een hele extra dimensie geeft. Helaas hebben zowel opdrachtgevers als gebruikers dit niet altijd in de gaten.”
Techniek versus schoonheid
Door de steeds grotere maatschappelijke noden en de wildgroei aan technische vereisten komt er deze dagen nog een ander spanningsveld bovendrijven: hoeveel ruimte blijft er nog over voor esthetiek? “Ik mis het pure ontwerpen”, stelt Frank Caers onomwonden. “Ik zie geregeld pleinen die op ecologisch en stedenbouwkundig niveau ongetwijfeld goed in elkaar passen, maar die simpelweg lelijk zijn. Technische aspecten dreigen de overhand te krijgen, waardoor er steeds minder op mensenmaat ontworpen wordt.”
"Technische aspecten dreigen de overhand te krijgen, waardoor er steeds minder op mensenmaat ontworpen wordt.”
Frank Caers
Tom Dhollander begrijpt die bezorgdheid, maar wijst er tegelijk op dat de ontwerpopgave fundamenteel veranderd is. "Twintig jaar geleden woog esthetiek veel zwaarder door. Vandaag moeten publieke ruimtes ook antwoorden bieden op maatschappelijke vraagstukken zoals klimaatadaptatie, biodiversiteit, waterbeheer en sociale cohesie. En als er dan prioriteiten moeten worden gesteld, krijgen die zaken vaak voorrang op het esthetische aspect. Gelukkig worden er ook nog steeds heel mooie projecten gerealiseerd die een ideale synergie tussen al die factoren tot stand weten te brengen.”
“Gelukkig, want het een zou het ander niet in de weg mogen staan”, vindt Frank Caers. “Hoe dan ook is de uitgaging om je als ontwerper esthetisch en architecturaal te onderscheiden immens veel groter geworden. Dat is problematisch, want ik ga er nog altijd van uit dat mooie publieke ruimtes ook langer functioneren en relevant blijven.” Tom Dhollander wijst in dat verband opnieuw op het belang van evolutief denken. “Een ontwerp van een publieke ruimte gaat doorgaans uit van het eindresultaat, wanneer binnen een jaar of vijftig alle bomen volgroeid zijn. Maar ze ligt er natuurlijk ook al volgend jaar, het jaar nadien, over vijf en tien jaar … In de tussentijd moeten mensen die publieke ruimte ook willen gebruiken en er gelukkig van kunnen worden. Hoe ze begint te functioneren en kan doorgroeien tot wat ze uiteindelijk zou moeten worden: daar zou naar mijn aanvoelen nog doordachter mee kunnen worden omgesprongen.”
"Een ontwerp van een publieke ruimte gaat doorgaans uit van het eindresultaat, maar hoe ze begint te functioneren en op termijn kan doorgroeien: daar kan naar mijn aanvoelen nog doordachter mee worden omgesprongen.”
Tom Dhollander
Moderatie & redactie: Palindroom