Experten aan het woord: “Inspraak is wenselijk, maar actief mee ontwerpen is een brug te ver” (3/3)
Publieke ruimte is per definitie collectief. Toch lijken technische randvoorwaarden soms de bovenhand te nemen op de mensen die er dagelijks gebruik van maken. Participatie lijkt dan een logische remedie, maar hoe vermijd je dat inspraak verzandt in een optelsom van individuele wensen? En hoe weet je na oplevering of een publieke ruimte ook echt doet wat ze moet doen? Tijdens het derde en laatste deel van het panelgesprek van United Experts Group bogen Sophie Loots (Parallel Architecten), Wim Carrein (URBASTA!), Frank Caers (United Experts Group), Els Van Lier (Landmax) en Tom Dhollander (Infopunt Publieke Ruimte zich over deze complexe, genuanceerde en zelfs beladen kwesties.
Alle leden van ons panel zijn het erover eens: ecologische en andere gespecialiseerde studiebureaus kunnen de kwaliteit van een project flink opkrikken, zeker als het om de inrichting van publieke ruimte gaat. Toch worden ze – tot hun grote frustratie – vaak pas rijkelijk laat of simpelweg niet bij een project betrokken, waardoor er heel wat potentieel on(der)benut blijft. “Daardoor grijpt men geregeld terug naar dezelfde plantensoorten en standaardoplossingen, zonder voldoende rekening te houden met de context of toekomstige ontwikkelingen. Terwijl er zoveel méér mogelijk is”, benadrukt Els Van Lier, die onder meer verwijst naar bestaande groenstructuren waarop de nieuwe omgevingsaanleg zou kunnen aansluiten. “Dat is niet alleen relevant vanuit biodiversiteitsoogpunt, maar verhoogt ook de belevingswaarde van een publieke ruimte.”
Tom Dhollander plaatst daar meteen een belangrijke kanttekening bij. “We mogen natuurlijk niet vergeten dat we van ver komen. Lange tijd leefde het idee dat groen netjes gemaaid en gesnoeid moest zijn. Dat zit er diep ingebakken bij veel mensen en het kost tijd om dat te counteren.” Meer natuurlijke inrichting vraagt dus niet alleen een ander ontwerp, maar ook een andere blik van gebruikers. Sophie Loots ziet kansen. “We zouden meer verwildering en verbossing moeten durven toelaten in (een deel van) de publieke ruimte. Denk bijvoorbeeld aan vlinderprojecten in voortuinen van bedrijfsgebouwen op industrieterreinen. Voor veel mensen is dat in eerste instantie een vreemde combinatie, maar qua biodiversiteit leveren zulke ingrepen bijzonder veel op.”
Van inspraak naar draagvlak
Precies daar komt participatie in beeld, vindt Wim Carrein. “Mensen begrijpen niet altijd waarom bepaalde keuzes gemaakt zijn. Bij verwildering denken ze al snel aan verwaarlozing, terwijl er net een duidelijke visie achter zit.” Volgens hem volstaat het daarom niet om een ontwerp louter toe te lichten wanneer alle beslissingen reeds genomen zijn. “Door proactief na te gaan welke kwaliteiten mensen in hun leefomgeving willen, daar rekening mee te houden in het ontwerptraject en tot slot alles ook nog eens helder uit te leggen, krijg je mensen mee en vergroot je het draagvlak van projecten. Wat je daarbij wel altijd indachtig moet houden, is dat je niet voor iedereen goed kan doen. De een zal 100 of 80% tevreden zijn, de ander misschien maar 50%. Je moet nu eenmaal keuzes maken en die moet je aan het eind van het verhaal zo goed mogelijk proberen toe te lichten.”
"Door proactief na te gaan welke kwaliteiten mensen in hun leefomgeving willen, daar rekening mee te houden in het ontwerptraject en tot slot alles ook nog eens helder uit te leggen, krijg je mensen mee en vergroot je het draagvlak van projecten."
Wim Carrein
Sophie Loots benadrukt dat de manier waarop participatietrajecten georganiseerd worden een wereld van verschil maakt. “Een collectief infomoment in een grote zaal mondt heel snel uit in commotie. Organiseer je daarentegen een infomarkt met verschillende tafels, waar mensen een-op-een in gesprek kunnen gaan, dan voelen ze zich veel meer gehoord. Een tussentijds terugkoppelmoment is hoe dan ook belangrijk, anders ben je niet aan het participeren maar louter aan het informeren. Tegelijk zijn er ook stakeholders die expliciet betrokken moeten worden, zoals fietsverenigingen, de Voetgangersbeweging of mensen met een fysieke beperking.”
Wim Carrein trekt wel een duidelijke grens. “Burgers actief mee laten ontwerpen gaat voor mij te ver. De taak van een ontwerper bestaat erin alle relevante informatie te synthetiseren. Wensen en behoeften uit een participatietraject vormen dus mee de basis, maar over de exacte positie van een boom hoeven burgers niet per se te beslissen. Daar spelen ook technische aspecten mee die voor leken moeilijk in te schatten zijn.” Frank Caers wijst er op zijn beurt wel op dat er voor participatie tijd en middelen nodig zijn. “En in de private markt is dat vaak veel minder evident. Publieke opdrachtgevers zetten er doorgaans sterker op in, zeker als het om belangrijke delen van het stadsweefsel gaat. Zij hebben er uiteindelijk ook begrip en goodwill mee te winnen, terwijl het bij projectontwikkelaars onderaan de streep veel meer om rendement draait.”
Nood aan evaluatie
Waar participatie intussen steeds vaker deel uitmaakt van het totaalplaatje, ziet Tom Dhollander één groot manco dat volgens hem nauwelijks aandacht krijgt: evaluatie achteraf. “Zijn de doelstellingen die men vooraf had ook effectief gehaald? Wordt een publieke ruimte gebruikt zoals oorspronkelijk bedoeld? Zijn er meer voetgangers en fietsers te spotten in het straatbeeld? Is de biodiversiteit er inderdaad op vooruitgegaan? Reduceert de publieke ruimte in haar huidige configuratie het hitte-eilandeffect? Wat is de reële impact op de sociale context? Worden mensen er blij van of net niet? We weten het niet, want zodra een project klaar is, wordt er afgevinkt en overgegaan naar het volgende dossier. Terwijl evaluatie net een belangrijke hefboom zou kunnen zijn om veelvoorkomende fouten te elimineren en het in de toekomst nog beter aan te pakken.”
Els Van Lier ziet daarnaast ook kansen om gerealiseerde projecten alsnog bij te sturen. “Niet alles hoeft meteen perfect te zijn. Als achteraf blijkt dat bepaalde zaken minder goed functioneren, kan je soms met relatief kleine ingrepen heel veel corrigeren. Eigenlijk zouden we die mogelijkheid van meet af aan moeten meenemen in het ontwerpproces. Er zijn heel veel aspecten die je achteraf nog kan bijsturen zonder dat daar noodzakelijk gigantische budgetten tegenover hoeven te staan.” Sophie Loots is het hier helemaal mee eens. “Denk aan ontharding met een tegel- of geveltuin. Of aan één parkeerplaats schrappen om ruimte te creëren voor een mooie boom die heel de straat opfleurt. Als we daar al mee beginnen, zitten we echt wel op het juiste spoor en zal al de rest hopelijk volgen.”
“Niet alles hoeft meteen perfect te zijn. Als achteraf blijkt dat bepaalde zaken minder goed functioneren, kan je soms met relatief kleine ingrepen heel veel corrigeren."
Els Van Lier
Frank Caers pleit zelfs voor een soort ‘openbareruimtemonitor’. “We hebben vandaag eigenlijk geen objectieve basis om te beoordelen of een publieke ruimte echt geslaagd is. Dat is vreemd, want we investeren er als samenleving enorme bedragen in.” Wim Carrein betwijfelt echter of publieke ruimtes zich ooit volledig objectief zullen laten evalueren. “Wat we doen is geen exacte wetenschap. Juist daarom zijn aanpasbaarheid en schaalbaarheid zo belangrijk. Een ontwerp moet daar de nodige ruimte voor laten.”
Stijgende lijn doortrekken
Het driedelige panelgesprek van United Experts Group toont eens te meer aan hoe sterk de visie op publieke ruimte in enkele decennia tijd volledig veranderd is. Waar openbaar domein vroeger vooral functioneel en onderhoudsvriendelijk moest zijn, ligt de lat vandaag een stuk hoger en zijn er nog heel wat bijkomende factoren die een doorslaggevende rol spelen. “Vroeger draaide het om zo weinig mogelijk onkruid laten groeien en water zo snel mogelijk afvoeren. Daarna kwam gebruiksvriendelijkheid nadrukkelijker in beeld en vandaag komt daar klimaatadaptatie bovenop. Van verharding naar vergroening en zelfs een stukje verwildering: dat is de evolutie die zich nu voltrekt”, vat Sophie Loots samen.
"Van verharding naar vergroening en zelfs een stukje verwildering: dat is de evolutie die zich nu voltrekt.”
Sophie Loots
Tom Dhollander ziet dezelfde stijgende lijn. “Als je de gemiddelde publieke ruimte van vroeger vergelijkt met wat we vandaag realiseren, bereiken we er beduidend meer mee. We bekijken het niet langer louter functioneel, maar brengen veel meer aspecten in rekening.” Toch blijft er volgens hem sprake van onbenut potentieel en gemiste kansen, zeker in gebieden waar de auto de publieke ruimte domineert. “Doordachte investeringen in publieke ruimte leveren maatschappelijk nochtans veel op. Denk aan gezondheid, klimaatresistentie, zachte mobiliteit of sociale cohesie. Concepten als deelvoertuigen kunnen echt wel gamechangers zijn. Het lijkt erop dat hun definitieve doorbraak nabij is. Hopelijk kunnen we binnen tien of twintig jaar concluderen dat die positieve evolutie zich heeft doorgezet en dat publieke ruimtes nog aantrekker, socialer, groener, klimaatrobuuster, biodiverser enzovoort zullen zijn dan vandaag al het geval is.”
Moderatie & redactie: Palindroom